
Beknopte geschiedenis van Apeldoorn
Apeldoorn oogt als een betrekkelijk nieuwe stad. De oudere bebouwing dateert er voor het grootste deel uit het begin van de vorige eeuw. Ook uit de 19de eeuw resteren nog wat huizen en villa’s. Wat er daarvoor heeft gestaan, heeft de tand des tijds niet overleefd, enkele uitzonderingen als Paleis Het Loo daargelaten. Toch kent Apeldoorn een lange geschiedenis.
Voor de vroegste vermelding van Apeldoorn moeten wij meer dan 1200 jaar terug. We komen die tegen in de kroniek van het klooster Lorsch, nabij Worms, in Hessen. Een echtpaar, Walther en Richlint, onder meer gegoed op de Veluwe, bood in 793 de toenmaals zeer bekende abdij diverse goederen aan, waaronder grond met opstal te Apeldoorn. Appoldro heet de plaats dan in onze bron. Archeologisch onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat de regio rond Apeldoorn in de tijd van Walther en Richlint een bovenregionale economische betekenis bezat vanwege de grootschalige productie van ruw ijzer. Berekeningen op grond van de resterende ijzerslakken hebben duidelijk gemaakt dat de oostelijke Veluwe in de vroege middeleeuwen zonder meer de grootste ijzerproducent van Noordwest Europa is geweest. Geen wonder dat diverse Frankische grootgrondbezitters, zoals Walther en Richlint, juist in deze regio bezittingen hadden.
Voor het volgende bericht moeten we wachten tot 1228, wanneer het Utrechtse kapittel van Sint-Marie in het huidige centrum van Apeldoorn een hof blijkt te exploiteren. In het genoemde jaar ontving hofmeier Altetus deze in erfpacht tegen betaling van 12 malder rogge per jaar. Vijftien jaar later, in 1243, is er sprake van een pastoor. Apeldoorn moet toen dus een zelfstandige parochie zijn geweest. In deze periode zal het dorp zich nauwelijks hebben onderscheiden van andere agrarische nederzettingen op de Veluwe, al was het gelegen aan een belangrijke route van Utrecht via Amersfoort naar Deventer en verder naar het oosten. De ligging aan deze verkeersader zal ertoe hebben bijgedragen dat Apeldoorn in de late middeleeuwen toch enige eigen trekken gaat vertonen.
Aan de zuidkant van Apeldoorn, aangedrongen tegen de A1, de moderne opvolger van het middeleeuwse wagenspoor van Utrecht naar Deventer, ligt een onopvallende verhoging in het dicht beboste terrein, de Herenhul. Een eenzame zwerfkei moet eraan herinneren dat wij met een oude gerechtsplaats te maken hebben. Hier kwam het omgaande gerecht bijeen, in ieder geval al sinds 1243. Maar op deze plek hield ook de graaf, sinds 1339 de hertog van Gelre, zijn klaringen, die onder meer als hof van appèl fungeerden. Dat trok talrijke aanzienlijken aan, die met hun gevolg in de omgeving moesten worden ondergebracht. Allerlei politieke vraagstukken werden dan meteen besproken. Vandaar dat in de 15de eeuw ook stedelijke afgevaardigden begonnen te verschijnen. Zo speelde de Herenhul een rol bij de vorming van de Gelderse standenvergadering. Tenminste éénmaal, in 1423, huldigde het Veluwse platteland er zijn nieuwe landsheer in. De Herenhul en de nabijgelegen dorpen Beekbergen en Apeldoorn vormden meer en meer een trefpunt, ook als het ging om niet specifiek Veluwse zaken. Het meest opvallend zijn wel de gezamenlijke bijeenkomsten van de Overijsselse en Gelderse Hanzesteden, die vanaf 1368 aanvankelijk te Beekbergen, na 1398 in Apeldoorn werden belegd. Hier werd wat men zou kunnen noemen internationale politiek besproken, zoals de oorlog tussen de Hanze en Denemarken en de bestrijding van de zeeroverij op Noord- en Oostzee. De laatste maal dat een dergelijke vergadering in Apeldoorn bijeenkwam, was in 1486.
Dit vroege vreemdelingenverkeer zal de Apeldoorners geen windeieren hebben gelegd. Al in 1426 horen we van een herberg, maar dat hoeft bepaald niet de eerste te zijn geweest. Herbergen komen we sindsdien regelmatig tegen in het Apeldoornse geschiedverhaal.
Ongenode gasten waren er ook, maar dat ongerief deelde Apeldoorn met de meeste Veluwse dorpen. Met name in de late middeleeuwen was Veluwse platteland meer dan eens slachtoffer van oorlog en plundering. De precaire ligging van de streek tussen de twee delen van het veelal vijandige Sticht Utrecht, het Nedersticht en het Oversticht, heeft veel daaraan bijgedragen. Ook de strijd om Gelres onafhankelijkheid tegen de opdringende macht van de Habsburgers heeft op de Veluwe diepe wonden geslagen. Pas toen Karel V de halsstarrige Geldersen uiteindelijk had getemd, keerde op de Veluwe de rust voor enkele decennia terug.
In 1526, nog vóór de definitieve onderwerping aan Habsburg, werd op gezag van de Gelderse hertog ‘durch gantz Veluwe’ een veetelling gehouden, die ons in staat stelt een vrij nauwkeurige schatting te maken van de inwonertallen in deze streek. Uitgerekend is dat het kerspel Apeldoorn, ruwweg overeenkomend met het huidige stedelijk gebied en ongeveer éénderde van het tegenwoordige gemeenteoppervlak, 1.310 inwoners telde. Apeldoorn was hiermee het grootste kerspel op de oostelijke Veluwe en overtrof het in dit opzicht Veluwse stadjes als Elburg en Hattem. De relatief dichte bevolking van Apeldoorn zal voor een belangrijk deel moeten worden toegeschreven aan de migratie van de droge centrale Veluwe naar de randgebieden, vooral tijdens de demografische en economische depressie van de 14de en 15de eeuw.
Het laatste gedeelte van de 16de eeuw bracht de oostelijke Veluwe opnieuw veel ongemak, toen gedurende de eerste fase van de Tachtigjarige Oorlog de IJssel een tijd lang de grens vormde tussen de koningsgetrouwe troepen en de opstandelingen tegen Filips II. Maar nadat Maurits en de Friese stadhouder Willem Lodewijk erin geslaagd waren in 1591 de IJsselsteden te heroveren en de oorlog zich dientengevolge naar elders verplaatste, kon het leven op de Veluwe zijn gewone gang hervatten. Nu ook kon de Reformatie goed op gang komen, op het Veluwse platteland een langzaam verlopend proces dat eerst omstreeks 1630 was afgerond.
Een belangrijke ontwikkeling op de oostelijke Veluwe, niet in het minst voor het dorp Apeldoorn, vormt omstreeks 1600 de opkomst van de papiernijverheid. Het sterke verloop van de hoge Veluwe naar het lage IJsseldal zorgde voor snelstromend water en leverde zo goedkope energie voor de talloze papiermolens, terwijl de zuiverheid ervan een noodzakelijke voorwaarde was voor de eigenlijke papierbereiding. Watermolens waren in Apeldoorn al veel eerder bekend; de vroegste vermeldingen dateren uit het begin van de 14de eeuw. Men kende graanmolens, volmolens en oliemolens. Maar nu ging de papiermolen de toon aangeven. Omstreeks 1650 draaiden er zo’n 50 op de Veluwe, een eeuw later zo’n 160. Daarna liep het aantal als gevolg van de Franse concurrentie wat terug. Niettemin telde de Veluwe rond 1800 nog altijd 145 molens, waaronder 49 in Apeldoorn. Het papier vond zijn weg naar de Hollandse afzetmarkt.
Een niet onbelangrijke gebeurtenis in de Apeldoornse geschiedenis is de aankoop geweest van het jachtslot Het Loo door stadhouder Willem III in 1684. Het jaar daarop startte de bouw van het huidige paleis. Dorp en paleis waren twee gescheiden werelden, die elkaar echter wel degelijk beïnvloedden. Aan Het Loo heeft Apeldoorn zijn statige Loolaan te danken. Niet toevallig staat sinds 1840-1842 de Grote Kerk halverwege het paleis en de vroegere dorpskern. En in de tweede helft van de 19de eeuw, toen Het Loo koninklijke residentie was, vormde de aanwezigheid van het paleis voor veel welgestelden een stimulans zich in Apeldoorn te vestigen. Bovendien gaf de hoge heerlijkheid Het Loo, die in 1750 ten behoeve van stadhouder Willem IV werd gecreëerd, Apeldoorn praktisch zijn tegenwoordige gemeentegrens.
Binnen die huidige gemeentegrens woonden in het begin van de 16de eeuw zo’n 2.400 mensen. Op het eind van de 18de eeuw was die bevolking bijna verdubbeld, en de aanwezigheid van de papiernijverheid zal daaraan niet vreemd zijn geweest. Het kerspel Apeldoorn overtrof in inwonertal stadjes als Wageningen, Purmerend, Almelo, Oldenzaal, Monnickendam, Medemblik en Naarden. In de 19de eeuw zette de bevolkingsgroei zich door en passeerde het inwonertal van de gemeente omstreeks 1850 de 10.000-grens. De papiernijverheid herstelde zich na een inzinking in de Franse tijd, maar verzuimde in de loop van de 19de eeuw de noodzakelijke vernieuwingen door te voeren, en dat werd haar noodlottig. Tegen het eind van de eeuw werden de meeste bedrijven omgezet in wasserijen. De aanwezigheid van veel welgestelden en wat later de komst van talrijke pensions schiepen hiervoor een behoefte.
Omstreeks 1850 was Apeldoorn echter nog altijd een hoofdzakelijk agrarische gemeente. Zo’n 63% van de inwoners werkte in de landbouw en vele anderen waren van die sector afhankelijk. Binnen een halve eeuw zou dat drastisch veranderen. In dezelfde periode werd Apeldoorn een van de snelst groeiende gemeenten van Nederland. Vooral na 1870 werd de groei fenomenaal. Tussen 1890 en 1900 was het groeipercentage bijna 37%, meer dan tweeëneenhalf maal zoveel als dat van Nederland als geheel! In 1900 had het inwonertal de 25.000-grens overschreden, tweeëntwintig jaar later de 50.000-grens, en in 1958 was men de 100.000 gepasseerd.
Veel meer dan het geboorteoverschot heeft de aantrekkingskracht die Apeldoorn uitoefende op mensen van buitenaf, hierbij een rol gespeeld. Wat bracht hen ertoe zich in Apeldoorn te vestigen? Voor velen heeft de aantrekkelijke woonomgeving stellig de doorslag gegeven. Bovendien was het wonen er goedkoop. Op het eind van de 19de eeuw werd Apeldoorn een geliefde vestigingsplaats voor renteniers, oud-Indiëgangers en gepensioneerden. Paleis Het Loo en daarmee de aanwezigheid van de koninklijke familie hebben zeker statusverhogend gewerkt, en er werd ook uitdrukkelijk mee geadverteerd. In 1874 werd een begin gemaakt met de aanleg van de statige, lommerrijke Parkenbuurt aan de noordzijde van de oude dorpskern. Van groot belang was eveneens dat Apeldoorn in 1876 aansluiting vond op het spoorwegnet. Tot dan toe was het voor zijn verbindingen aangewezen op de straatweg van Amersfoort naar Deventer en die naar Zutphen, en het Apeldoorns Kanaal van Hattem naar Dieren, waarvan het noordelijk deel, van Apeldoorn naar Hattem in 1829 was gereedgekomen, maar het zuidelijk deel tot 1869 op zich had laten wachten. Er kwamen betere onderwijsfaciliteiten: in 1877 de Koninklijke HBS, in 1913 het Gemeentelijk Gymnasium. In het kielzog van de welgestelden kwamen anderen, die in Apeldoorn een gunstige werkgelegenheid aantroffen. Er groeide een waaier aan industrieën. Naast de traditionele papiernijverheid en de wasserijen ontstond een grote verscheidenheid aan kleine en middelgrote bedrijven. Er kwam textielnijverheid, een nettenfabriek, inkt- en verfindustrie, metaalnijverheid, houtzagerijen, kokosindustrie, zuivelfabrieken, een zeepfabriek en diverse andere chemische bedrijven. In 1930 was ruim 46% van de Apeldoornse beroepsbevolking werkzaam in de industrie, in de agrarische sector nog maar 14%. Handel en verkeer speelden een belangrijke rol, en binnen die laatste sector mag zeker het toerisme niet worden vergeten, dat zich al vóór de eeuwwisseling manifesteerde. De crisistijd van de jaren ’30 heeft natuurlijk ook op Apeldoorn zijn uitwerking gehad, maar het beeld van een alsmaar groeiende gemeente veranderde er niet door. Na de Tweede Wereldoorlog wist een aantal grote bedrijven de weg naar Apeldoorn te vinden, zoals het TNO en Centraal Beheer. Ook de rijksoverheid zorgde voor een krachtige groeiimpuls door een aantal rijksdiensten naar Apeldoorn over te brengen. Enige tijd was er zelfs sprake van dat de gemeente na Den Haag de tweede schrijftafel van Nederland moest worden. De dienstensector won daardoor sterk aan betekenis. In 1990 maakte ze meer dan 50% uit van de totale werkgelegenheid.
Natuurlijk heeft de enorme bevolkingstoename het uiterlijk van de gemeente ingrijpend veranderd. De stedelijke bebouwing heeft zich reusachtig uitgebreid.
De grote uitbreidingsplannen volgden echter pas na de Tweede Wereldoorlog. Alleen al tussen 1970 en 1980 werden meer dan 14.000 nieuwe huizen gebouwd, een aantal dat bijna overeenkomt met het totale woningbestand van 1930. Dat moest dan ook wel. Aan het eind van genoemde periode had het inwonertal van Apeldoorn de 140.000 overschreden. De wijze van bouwen veranderde mee: meer aaneengesloten bebouwing in plaats van het traditionele Apeldoornse huisje met tuin eromheen, en uiteraard, zij het met mate, ook hoogbouw. Grote gebouwen gaven Apeldoorn vooral sinds de jaren ’60 in toenemende mate stedelijke allure. Dat bij de snelle bevolkingstoename de huizenbouw lange tijd prioriteit heeft gekregen en allerlei stedelijke voorzieningen daarbij achterbleven, valt niet te ontkennen. De achterliggende vijftien jaar mag echter in dit opzicht van een inhaalslag gesproken worden met onder meer de bouw van een nieuwe openbare bibliotheek, een nieuw stadhuis, het Huis voor Schoone Kunsten, het cultuurcentrum CODA en de concertzaal bij de schouwburg Orpheus. Ook in dit opzicht is Apeldoorn ‘stad’ geworden.
Belangrijkste literatuur
C.J.C.W.H. Arnold, Apeldoorn in Opkomst. De ontwikkeling van dorp en gemeente in de eerste helft van de negentiende eeuw. Gelderse Historische Reeks, dl. I. Zutphen 1971. (Ook als dissertatie Utrecht.)
[G.] M. Jochems, S. Krul, E. Luikens e.a. (red.), Ach lieve tijd. Twaalf eeuwen Apeldoorn en de Apeldoorners. Zwolle 1991-1993.
R.M. Kemperink (red.), Vijf&zeventig jaar Apeldoorn. Aspecten van de Apeldoornse geschiedenis tussen 1909 en 1984. Apeldoorn 1984.
R.M. Kemperink, C.J.C.W.H. Arnold, M.A.M. Franken en J. de Mol (red.), Geschiedenis van Apeldoorn. Zutphen 1993.
E. Luikens, Apeldoorn in de schaduw van Het Loo 1785-1905. Politiek, bestuurlijke en maatschappelijke ontwikkelingen in Apeldoorn. Zutphen 1999. (Ook als dissertatie Nijmegen.)